Warmte is de helft van het energiesysteem en de traagste helft
De Nederlandse industrie verbruikte in 2025 1036 petajoule energie. Daarvan was 87 petajoule hernieuwbaar, oftewel 8 procent. Dat blijkt uit de voorlopige cijfers die het CBS op 19 juni 2026 publiceerde. In dezelfde periode haalden gebouwen, dus woningen en de dienstensector, 32 procent hernieuwbaar op een verbruik van 597 petajoule. De industrie is bijna twee keer zo groot en vier keer zo fossiel.
Het Europese streefdoel voor de industrie is minimaal 19,7 procent in 2030. Dat betekent dat er in vijf jaar ongeveer 117 petajoule hernieuwbare energie bij moet komen in één sector. Ter vergelijking: alle Nederlandse zonnepanelen samen produceerden in 2025 93 petajoule.
Het grootste deel van dat industriële verbruik is geen elektriciteit maar warmte. En warmte is precies de energiestroom die in het publieke debat over de transitie nauwelijks voorkomt. De discussie gaat over zonneparken, netcongestie en laadpalen. Bijna niet over stoom van 180 graden.
De week in zeven stacks
Energy. Fervo boorde een diepere en hetere geothermische put in 70 procent minder tijd dan een eerdere put. De Nederlandse aardwarmteproductie groeide in 2025 met slechts 0,2 petajoule, te weinig om een leercurve op gang te brengen. Dat staat in de analyse van maandag over boren en leren. Op woensdag stond de wachtlijst voor een netaansluiting op 15.014 bedrijven, en steeds meer van hen kopen een batterij achter de meter in plaats van te wachten. Zondag ging over ontzilting, waar Dubai zeewater contracteerde voor 0,277 dollar per kuub terwijl het RIVM na 2030 een Nederlands drinkwatertekort ziet aankomen.
Materials. Natrium kost ongeveer 5 dollarcent per kilo, lithium ongeveer 15 dollar. Die factor driehonderd verklaart waarom de zoutbatterij dit jaar van het lab naar het Europese stroomnet verhuist. De grondstofafhankelijkheid van de opslagmarkt verschuift daarmee, maar de fabricagecapaciteit blijft geconcentreerd.
Health. Twee stukken over hetzelfde marktfalen vanuit tegengestelde richting. In India stroomt generiek semaglutide de markt op, terwijl een aanvullend beschermingscertificaat de concurrentie in Nederland tot 2031 buiten de deur houdt. En een bestaand botmedicijn blokkeerde in het lab schijfslijtage, maar zonder patent wil niemand de klinische proef betalen die het bewijs moet leveren. Science Daily meldde op 6 augustus dezelfde bevinding over een osteoporosemiddel.
Food. Melkeiwit uit precisiefermentatie ligt in de Verenigde Staten al jaren in de winkel. In de Europese Unie is nog geen enkel gefermenteerd eiwit goedgekeurd. De flessenhals is geen techniek maar procedure, en die procedure loopt via EFSA.
Information. PV Magazine berichtte op 12 augustus over een commercieel opslagsysteem van 2,5 megawatt dat binnen 0 milliseconde omschakelt bij netuitval. Dat is geen batterijnieuws maar besturingsnieuws. De waarde zit in de regellaag, niet in de cellen.
Voor de stacks education, time en de bredere informatiestack leverden de gevolgde bronnen deze week niets op dat een eigen analyse rechtvaardigde. Dat wordt hier vermeld en niet opgevuld.

Warmte is de helft van het systeem en telt bijna nergens mee
Volgens het rapport Renewables 2025 van het Internationaal Energieagentschap was warmte in 2024 goed voor bijna de helft van het totale finale energieverbruik wereldwijd. Diezelfde warmtevraag was verantwoordelijk voor 37 procent van de energiegerelateerde CO2-uitstoot. Het aandeel hernieuwbare energie in die warmtevraag was 14 procent. In de industrie specifiek was het 12 procent.
Dat cijfer beweegt langzaam. Het IEA verwacht dat het aandeel hernieuwbaar in de wereldwijde industriële warmtevraag stijgt van 12 procent in 2024 naar 16 procent in 2030. Vier procentpunt in zes jaar. In diezelfde periode groeit de industriële warmtevraag zelf met 14 procent. De absolute fossiele warmtevraag neemt dus toe, niet af.
Het IEA rekent voor wat dat kost. Tussen 2025 en 2030 komt er cumulatief ongeveer 100 gigaton CO2 uit de warmtesector. Dat is meer dan een vijfde van het resterende koolstofbudget voor een kans van vijftig procent om onder 1,5 graad opwarming te blijven. De warmtesector alleen.

Waarom beweegt warmte zo traag? Drie redenen, en geen ervan is een gebrek aan technologie.
De eerste is temperatuur. Warmte is geen homogeen product. Een wasserij heeft 80 graden nodig, een zuivelfabriek meer, een chemische kraker meer dan 500. De RVO stelt het bereik nuchter vast: compressiewarmtepompen tot net onder 100 graden zijn goed verkrijgbaar, daarboven is toepassing mogelijk maar gebeurt het nog weinig. De thermo-akoestische variant moet op termijn 180 graden halen en zit nog in de demonstratiefase. Chemische warmtepompen zitten in een vergevorderde demonstratiefase bij 160 graden en 1 megawatt thermisch. Dat betekent dat de bewezen techniek vandaag stopt rond de honderd graden, precies onder het temperatuurniveau waar de meeste stoomprocessen beginnen. Het IEA schat dat elektriciteit voor proceswarmte wereldwijd groeit van 4 procent van het industriële warmteverbruik in 2024 naar 12 procent in 2030. Die groei komt vooral uit de minder energie-intensieve takken.
Nederland laat zien hoe scheef die verdeling uitpakt. Warmtepompen onttrokken in 2025 in totaal 34 petajoule warmte aan buitenlucht en bodem, volgens het CBS goed voor 9 procent van alle hernieuwbare energie. Vrijwel al die capaciteit staat in gebouwen. In de industrie noteert het CBS voor warmtepompen geen apart aandeel. De machine die de gebouwde omgeving aan het kantelen is, speelt in de grootste warmtevraag nog geen rol van betekenis.
Dat terwijl de grondstof er letterlijk ligt. De RVO becijfert dat in Nederland jaarlijks ongeveer 125 petajoule restwarmte vrijkomt met een temperatuur boven 100 graden. Dat is meer dan alle Nederlandse zonnepanelen samen produceerden in 2025. Het verdwijnt grotendeels via schoorstenen en koeltorens.
De tweede is levensduur. Een gasgestookte stoomketel gaat twintig tot dertig jaar mee. Een fabriek vervangt die aan het einde van de technische levensduur, niet omdat het beleid verandert. Wie in 2024 een nieuwe ketel plaatste, heeft de keuze voor 2030 al gemaakt. Dat is een fundamenteel ander tempo dan een consument die een cv-ketel vervangt of een auto koopt.
De derde is prijs. Daarover gaat de volgende sectie, want daar zit de kern.
Vergelijk het met de elektriciteitstransitie. Daar viel de kostencurve van zonne-energie zo hard dat de economische logica vanzelf kantelde. Bij warmte gebeurt dat niet, omdat de kosten niet in het apparaat zitten maar in de energiedrager. Een warmtepomp die 30 procent goedkoper wordt, verandert de businesscase nauwelijks. De verhouding tussen de gasprijs en de elektriciteitsprijs verandert die wel, en die verhouding wordt niet bepaald door techniek maar door belastingen en netkosten.
Nederland illustreert dat scherp. Van de totale gasprijs voor zakelijke afnemers bestond in de tweede helft van 2025 42,7 procent uit niet-terugvorderbare belastingen en heffingen, volgens Eurostat het hoogste aandeel van de Europese Unie. Tegelijk steeg de Nederlandse zakelijke gasprijs in dat halfjaar met 6,3 procent ten opzichte van een jaar eerder, de op één na sterkste stijging in de EU. Beide feiten duwen dezelfde kant op: gas duurder maken. Dat is beleid dat werkt, mits de elektriciteitsprijs meebeweegt.

De industrie verbruikt bijna twee keer zoveel energie als alle woningen en dienstverlening samen, en haalt daar vier keer minder hernieuwbaar uit. Bron: CBS, hernieuwbare energie volgens RED III, voorlopige cijfers 2025, gepubliceerd 19 juni 2026.
De economie erachter
Reken het door met de Europese gemiddelden van Eurostat over de tweede helft van 2025. Een middelgrote zakelijke afnemer betaalde gemiddeld 0,0605 euro per kilowattuur gas, inclusief niet-terugvorderbare heffingen. Elektriciteit kostte gemiddeld 0,1837 euro per kilowattuur. Bij een gasketel met een rendement van 92 procent, een gangbare aanname in de sector, kost een kilowattuur nuttige warmte uit gas dus ongeveer 0,066 euro.
Een warmtepomp moet daaronder komen. De omslagwaarde is 0,1837 gedeeld door 0,066, oftewel een COP van ongeveer 2,8. Alles daarboven is goedkoper dan gas, alles daaronder duurder. Een elektrische boiler heeft een COP van ongeveer 1 en is dus bijna drie keer zo duur per eenheid warmte. Deze berekening kijkt alleen naar variabele energiekosten. Investering, CO2-prijs, netaansluitkosten en subsidies zitten er niet in.
Die drempel van 2,8 verklaart veel. Bij een kleine temperatuursprong halen industriële warmtepompen een COP van 4 tot 6 en is de zaak rond. Bij een sprong van 30 naar 150 graden zakt de COP naar de orde van 1,5 tot 2, uitgaande van 40 tot 50 procent van het theoretische Carnot-rendement, een gangbare vuistregel. Dan is elektrificeren verliesgevend, hoe schoon het ook is.
De spreiding binnen Europa is groter dan het gemiddelde suggereert. In Finland kostte zakelijke elektriciteit in dezelfde periode 0,0748 euro per kilowattuur, in Ierland 0,2552 euro. Bij een gelijkblijvende gasprijs ligt de omslag-COP in Finland rond 1,1 en in Ierland rond 3,9. In Finland is zelfs een domme elektrische boiler bijna rendabel. In Ierland is een goede warmtepomp dat nauwelijks. Dezelfde machine, dezelfde fysica, tegengestelde uitkomst.

Wie wint hier en wie verliest? Winnaars zijn landen met structureel goedkope elektriciteit en fabrikanten van warmtepompen in het bereik tot 200 graden. Verliezers zijn energie-intensieve industrieën in landen met hoge elektriciteitsheffingen, want die krijgen een dubbel signaal: duurder gas zonder rendabel alternatief. Dat is precies de situatie waarin verplaatsing naar buiten Europa aantrekkelijker wordt dan verduurzaming. Het rebound-risico zit niet in extra verbruik maar in verplaatst verbruik.
Er is ook een tegenwerpend signaal. De Europese warmtepompmarkt kromp in 2024 met 21 procent, aldus het IEA op basis van cijfers van de EHPA. Dat is grotendeels de gebouwde omgeving, maar het laat zien dat een gunstige klimaatlogica geen gunstige koopbeslissing garandeert zolang de prijsverhouding niet klopt.
Bij deze berekening horen twee kanttekeningen. De gebruikte elektriciteitsprijs geldt voor afnemers met een jaarverbruik tussen 500 en 2000 megawattuur. Grote energie-intensieve fabrieken kopen goedkoper in en betalen minder heffingen, dus hun omslagpunt ligt lager. En de landenvergelijking houdt de gasprijs constant op het EU-gemiddelde, terwijl die per land verschilt. De richting van de conclusie verandert daar niet door, de exacte drempel wel.
Implicatie voor de energy-stack
De energy-stack wordt meestal gelezen als elektriciteit: opwek, opslag, net. De cijfers van deze week laten zien dat dat een halve stack is. Warmte is qua volume de grotere helft en qua transitiesnelheid de tragere. Zolang de kostenanalyse van overvloed zich richt op de prijs per kilowattuur elektriciteit, mist zij de grootste energiestroom in het systeem.
Voor Project Alithea betekent dit een concrete correctie. Schaarste in de energy-stack wordt niet opgeheven door goedkope opwek alleen. Zij wordt opgeheven door de verhouding tussen twee prijzen, en die verhouding is een ontwerpkeuze in het belastingstelsel.
Wat te volgen komende week
Drie indicatoren die deze analyse kunnen bevestigen of weerleggen.
Ten eerste de verhouding tussen de zakelijke elektriciteitsprijs en gasprijs in Nederland. Eurostat publiceert die halfjaarlijks in de reeksen nrg_pc_203 en nrg_pc_205. Zakt de verhouding onder 2,8, dan kantelt de businesscase voor een brede groep industriële warmtepompen zonder dat er één subsidie bij komt.
Ten tweede het Besluit collectieve warmte. De Eerste Kamer nam de Wet collectieve warmte op 9 december 2025 aan. De wet werd op 22 januari 2026 gepubliceerd. De artikelen treden echter gefaseerd in werking bij koninklijk besluit. De Eerste Kamercommissie voor Economische Zaken levert op 8 september 2026 inbreng over het ontwerpbesluit. Dat is de eerste harde datum waarop zichtbaar wordt hoe snel warmtenetten daadwerkelijk gebouwd kunnen worden.
Ten derde het aantal aangekondigde industriële warmtepompprojecten boven 5 megawatt thermisch in Noordwest-Europa die boven 100 graden leveren. Dat is de directe maatstaf voor de vraag of de temperatuurgrens in de praktijk opschuift, of alleen in productbrochures.