De rekensom klopt sinds 1 januari, de markt groeit maar 6 procent
Op 1 januari 2026 veranderden twee getallen in de Nederlandse energiebelasting. Het tarief op aardgas ging van 0,69957 naar 0,72680 euro per kubieke meter, inclusief btw. Het tarief op elektriciteit daalde van 0,12286 naar 0,11085 euro per kilowattuur. Gas werd bijna 4 procent zwaarder belast, stroom bijna 10 procent lichter.
Reken die tarieven om naar dezelfde eenheid en het effect wordt scherp. Een kubieke meter aardgas van Nederlandse kwaliteit bevat ongeveer 9,77 kilowattuur aan verbrandingswaarde, uitgaande van de gangbare rekenwaarde van 35,17 megajoule bovenwaarde per kuub. De belasting op gas komt daarmee neer op 7,44 cent per kilowattuur warmte-inhoud. Die op stroom is 11,09 cent. De fiscale verhouding tussen elektriciteit en gas is dus 1,49. In 2025 was dezelfde verhouding 1,72. In één jaar kromp het belastingnadeel van elektriciteit met 13 procent.
Dat is precies de knop waar het Internationaal Energieagentschap op wijst. In de Heat Pump Monitor 2026 stelt het agentschap dat de lifetime-kosten van een warmtepomp vooral worden bepaald door de bedrijfskosten, en dat een land dat elektriciteit zwaarder belast dan fossiele brandstof zijn eigen warmtepompbeleid ondermijnt.
Hoe we hier kwamen
De hoge belasting op stroom is geen natuurwet maar een erfenis. Elektriciteit was decennialang de drager van beleidskosten. De Opslag Duurzame Energie werd per 2023 opgenomen in de algemene energiebelasting, wat het stroomtarief in één klap van 4,5 cent naar 15,2 cent per kilowattuur bracht. Gas bleef intussen relatief goedkoop, omdat het uit eigen bodem kwam en omdat de gasrekening politiek gevoelig lag.
Het gevolg was een prijssignaal dat het tegenovergestelde deed van wat het klimaatbeleid beloofde. Een warmtepomp levert per kilowattuur stroom drie tot vier kilowattuur warmte. Die natuurkundige voorsprong verdwijnt op de rekening zodra de stroom per eenheid energie meer dan drie tot vier keer zo duur is als gas. Het IEA adviseert beleidsmakers een verhouding van maximaal 2,5 op 1 in de eindprijs, en noemt alles boven 3 op 1 zorgelijk.
De economie erachter
Nederland zit inmiddels aan de goede kant van die grens. Volgens het IEA is het bezit van een warmtepomp hier 15 tot 30 procent goedkoper dan een gasketel over de levensduur, een positie die het land deelt met Portugal en Bulgarije. In 16 EU-landen zijn residentiële warmtepompen inmiddels concurrerend, samen goed voor ongeveer een derde van de Europese warmtevraag van woningen.
Toch beweegt de markt nauwelijks. Vereniging Warmtepompen telde in de eerste helft van 2026 in Nederland 238.548 verkochte residentiële warmtepompen, tegen 225.034 een jaar eerder. Een groei van 6 procent. Zonder lucht-luchtsystemen, in de praktijk vooral airco's die ook kunnen verwarmen, ging het om 70.534 stuks tegen 66.496: eveneens 6 procent. Lucht-waterwarmtepompen groeiden met bijna 36 procent naar 40.551 stuks. Dedicated hybride systemen daalden met ruim 21 procent naar 20.204. De branche had na de gasprijsstijging van dit voorjaar een sterkere opleving verwacht en zag die niet komen.
Het knelpunt is verschoven. Niet de exploitatiekosten remmen, maar de aanschaf en de uitvoering. Het IEA becijfert dat warmtepompapparatuur in gebouwen twee tot drie keer duurder is dan het alternatief, en dat de installatiekosten daar nog eens bovenop komen of die zelfs overtreffen. Daarbovenop komt een tekort aan gekwalificeerde installateurs, dat het agentschap wereldwijd als een van de belangrijkste flessenhalzen aanmerkt.
Huishoudens met een laag gasverbruik, goede isolatie en zonnepanelen profiteren direct van de tariefverschuiving. Huishoudens in slecht geïsoleerde woningen betalen meer voor gas zonder realistisch alternatief, want de investering van tienduizend euro of meer is voor hen niet beschikbaar.
De nettarieven gaan de komende jaren van een vast bedrag naar tijds- en volumeafhankelijke tarieven. Een warmtepomp verbruikt juist op koude winteravonden, precies wanneer het net het zwaarst belast is. Als die tarieven ruw worden vormgegeven, kan het operationele voordeel dat de energiebelasting nu creëert er aan de achterkant weer uit lopen.
Implicatie voor de energie-stack
Warmteschaarste in Nederlandse woningen is geen technisch probleem meer. De natuurkunde levert een factor drie tot vier gratis. Wat de warmte duur maakt, is een prijsverhouding die door beleid wordt gezet, een aanschafdrempel die door financiering kan worden weggenomen, en een installateurscapaciteit die door opleiding wordt bepaald. Alle drie zijn ontwerpkeuzes, en dat maakt dit een schoolvoorbeeld voor de energie-stack: dezelfde apparaten, dezelfde fysica, een compleet andere uitkomst afhankelijk van hoe de randvoorwaarden zijn ingesteld. In de ontwikkelingen-feed is diezelfde beweging zichtbaar aan de productkant, waar fabrikanten inverter-warmtepompen naar steeds smallere niches brengen.
De rekensom van 2030 laat de omvang van de opgave zien. Het transitiebeleid vraagt vanaf dat jaar om 250.000 tot 300.000 warmtepompen per jaar, exclusief airco's. De branche raamt voor heel 2026 ongeveer 140.000. Dat is een factor twee, te overbruggen in vier jaar, met een installateursbestand dat nu al te klein is.
Wat te volgen
Drie indicatoren zijn de komende twaalf maanden bepalend. Ten eerste de verhouding tussen de energiebelasting op stroom en gas in het Belastingplan voor 2027: zet het kabinet de verschuiving door of stokt die bij de eerste politieke tegenwind. Ten tweede het ontwerp van de tijds- en volumeafhankelijke nettarieven, en specifiek of er een uitzondering of afvlakking komt voor warmtepompen op winteravonden. Ten derde het aandeel volledig elektrische lucht-waterwarmtepompen binnen de kwartaalcijfers van Vereniging Warmtepompen: dat aandeel groeit nu hard terwijl hybride krimpt, en die verhouding zegt meer over de verwachtingen van huishoudens dan het totaalcijfer.