Het recht op reparatie geldt sinds 31 juli, de Nederlandse wet is er nog niet
Op 31 juli 2026 werd het Europese recht op reparatie van kracht. Vanaf die datum kan een consument van een fabrikant eisen dat een defect apparaat wordt gerepareerd, ook als de garantietermijn allang verlopen is. De Europese Commissie raamt de besparing voor consumenten op 176,5 miljard euro over vijftien jaar, ongeveer 25 euro per inwoner per jaar. Verkopers en producenten besparen naar schatting 15,6 miljard euro, en de reparatiesector zou 4,8 miljard euro aan groei en investeringen opleveren (Europese Commissie, Q&A, 22 maart 2023).
Nederland heeft die wet nog niet. Het kabinet stemde in het voorjaar in met een implementatiewetsvoorstel en stuurde het voor advies naar de Raad van State. Daarna volgt pas de behandeling in de Tweede Kamer (Van Benthem & Keulen, 3 april 2026). Nederland is geen uitzondering. Op 30 juli, één dag voor de deadline, had volgens de campagne Right to Repair Europe slechts een handvol lidstaten formeel aan de Commissie gemeld dat de omzetting was afgerond.
Het resultaat is een recht dat op papier Europees is en in de praktijk per land verschilt.
Hoe reparatie duur werd
Reparatie werd niet duur door natuurkunde. Ze werd duur door een reeks ontwerpkeuzes die elk apart verdedigbaar waren. Binnen de garantie was vervangen voor de verkoper vaak goedkoper dan repareren, dus werd er vervangen. Buiten de garantie ontbrak het aan onderdelen, aan documentatie en aan een schroef die je kunt losdraaien. De prijs van een reserveonderdeel werd een commercieel instrument, niet een productiekostenpost.
De richtlijn draait één van die knoppen om: binnen de aansprakelijkheidsperiode moet de verkoper repareren zodra dat even duur of goedkoper is dan vervangen, en wie voor reparatie kiest krijgt minstens twaalf maanden extra wettelijke garantie.
De Nederlandse cijfers laten zien hoe groot de voorraad is waar dit over gaat. In 2024 kwam in Nederland 390 miljoen kilo aan afgedankte elektrische en elektronische apparatuur vrij, 22 kilo per inwoner. Dat getal staat sinds 2006 vrijwel stil. Geregistreerd verwerkt werd 255 miljoen kilo. De inzameldoelstelling voor 2024 was 65 procent van wat in de drie voorgaande jaren op de markt kwam; het werkelijke percentage bleef steken op 32 procent, en op 50 procent als je zonnepanelen buiten beschouwing laat. Uit sorteeranalyses blijkt bovendien dat ongeveer 89 miljoen kilo elektronica in het gewone huisvuil belandt (CLO/CBS/PBL, 20 november 2025).
Wereldwijd is het patroon hetzelfde. In 2022 ontstond 62 miljoen ton elektronisch afval, waarvan 22,3 procent aantoonbaar is ingezameld en gerecycled. Daarmee ging 62 miljard dollar aan terugwinbare grondstoffen verloren, en de stroom groeit vijf keer sneller dan de recycling (Global E-waste Monitor 2024, ITU en UNITAR).
De economie erachter
De richtlijn schrijft voor dat onderdelen tegen een "redelijke prijs" beschikbaar moeten zijn, maar definieert dat begrip niet. Daar zit de hele zaak. Een fabrikant die een moederbord prijst op 70 procent van de nieuwprijs voldoet formeel aan de regel en verandert feitelijk niets. Right to Repair Europe wijst hier zelf op: zonder norm blijft "redelijk" een onderhandelingspositie.
De reparatieplicht geldt bovendien alleen voor productgroepen waarvoor Europese repareerbaarheidseisen bestaan. Dat zijn nu wasmachines, wasdrogers, vaatwassers, koelkasten, beeldschermen, lasapparatuur, servers en dataopslag, mobiele telefoons en tablets, en lokale ruimteverwarmers. Accu's van e-bikes en e-steps volgen op 18 februari 2027. Stofzuigers staan wel in de bijlage, maar de onderliggende ecodesignverordening uit 2013 bevat geen enkele repareerbaarheidseis, waardoor die categorie in de praktijk buiten schot blijft.
Ook de handhavingsinfrastructuur loopt achter op het recht. Het Europese reparatieplatform, waar consumenten reparateurs moeten kunnen vinden, krijgt zijn gemeenschappelijke interface pas op 31 juli 2027 en is volledig operationeel op 1 januari 2028. Lidstaten hoeven hun stimuleringsmaatregel, bijvoorbeeld een reparatievoucher, pas op 31 juli 2029 te melden. Het recht bestaat dus drie jaar eerder dan het gereedschap om het te gebruiken.
Wie wint hier? Onafhankelijke reparateurs, mits ze aan onderdelen komen. Wie verliest? Fabrikanten met een verdienmodel op vervangingsaankopen. En er is een reboundrisico: goedkopere reparatie verlaagt de gebruikskosten per apparaat, wat het aantrekkelijker maakt om er meer te bezitten. Levensduurverlenging levert alleen milieuwinst op als de vervangingsvraag daadwerkelijk daalt.
Implicatie voor de materialen-stack
De materialen-stack gaat over de vraag of grondstofschaarste een geologisch of een organisatorisch probleem is. Bij elektronica is het antwoord grotendeels het tweede. Het koper, kobalt en neodymium liggen al binnen de landsgrenzen, in kastjes en laden. Nederland heeft in 2024 654 miljoen kilo apparatuur op de markt gebracht en 390 miljoen kilo afgedankt.
Reparatie en recycling zijn daarbij geen synoniemen. Recycling wint het metaal terug en vernietigt alle toegevoegde waarde die daarboven zit: het ontwerp, de assemblage, de chip. Reparatie behoudt die waarde. In de ontwikkelingen-feed is dezelfde spanning zichtbaar bij batterijrecycling: Europa organiseert de terugwinning van het materiaal eerder dan het behoud van het product.
Wat te volgen
Drie indicatoren bepalen of dit meer wordt dan een juridische mijlpaal. Ten eerste de datum waarop het Nederlandse wetsvoorstel bij de Tweede Kamer wordt ingediend en in werking treedt, en hoe lang het gat met 31 juli 2026 uiteindelijk is. Ten tweede de prijs van reserveonderdelen als percentage van de nieuwprijs, per productgroep: daar wordt het woord "redelijk" getest. Ten derde het Nederlandse inzamelpercentage onder de nieuwe toetsing op 85 procent van de jaarlijks vrijgekomen hoeveelheid, samen met het aandeel elektronica in het huishoudelijk restafval, dat in 2024 nog 89 miljoen kilo bedroeg.