71 procent van de medicijntekorten valt onder één inkoopregel
In 2025 registreerde KNMP Farmanco 1.134 nieuwe geneesmiddelentekorten in Nederland. Dat is een daling: in 2024 waren het er 1.563, in 2023 ruim 2.200. Toch kreeg 3,5 miljoen mensen, een op de drie medicijngebruikers, te maken met een tekort. Een gemiddeld tekort duurde 96 dagen.
Eén cijfer uit het KNMP-rapport springt eruit. Van alle tekorten viel 71 procent onder het preferentiebeleid van de zorgverzekeraars: het systeem waarbij een verzekeraar per werkzame stof één goedkoopste leverancier aanwijst die als enige wordt vergoed. Dat cijfer bewijst niet dat het beleid elk tekort veroorzaakt. Het laat wel zien waar de tekorten landen: in het deel van de markt dat per molecuul is teruggebracht tot één winnaar.
Het gevolg is meetbaar. Het gemiddelde aantal leveranciers per geneesmiddel in Nederland zakte van 3,3 in 2016 naar 2,6 in 2025. Als er dan iets misgaat in een fabriek in India of China, is er geen tweede aanbieder om het gat te vullen. De pil is overvloedig. De keten naar de Nederlandse patiënt is schaars gemaakt.
Hoe we hier kwamen
Het preferentiebeleid begon rond 2005 als antwoord op te hoge prijzen voor generieke middelen. Het werkte. Nederland behoort volgens de KNMP op basis van officiële prijzen tot de drie goedkoopste landen van Europa, en verzekeraars betalen in de praktijk nog minder via afspraken met leveranciers. Daarbovenop legt de Wet geneesmiddelenprijzen uit 1996 twee keer per jaar een maximumprijs op, gekoppeld aan vier referentielanden.
Twee prijsdrukkers op elkaar gestapeld laten weinig marge over. Een leverancier die na een productiestoring weer voorraad heeft, verdeelt die over landen waar hij het meest verdient. Nederland staat achteraan. De KNMP noemt het expliciet: als een middel in de buurlanden wél verkrijgbaar is en hier niet, is dat puur Nederlands marktfalen. Bij 8 procent van de tekorten in 2025 moest worden geïmporteerd.
Intussen verschoof de productie zelf. Volgens de Europese Commissie wordt 60 tot 80 procent van de werkzame stoffen voor generieke middelen in Europa gemaakt in India of China. De EPRS-briefing bij de Critical Medicines Act rekent voor dat ruim de helft van de gemelde tekorten in de EU (50,6 procent) een productieoorzaak heeft, inclusief grondstoftekorten.
De economie erachter
De besparing van het preferentiebeleid is echt en zichtbaar in de premie, maar de kosten van de tekorten staan op een andere begroting. Bij een op de zes tekorten moet de patiënt over op een andere werkzame stof of een geïmporteerd product. Bij ruim een op de vijf naar een andere sterkte of vorm, soms met bijbetaling via het eigen risico. De KNMP telt onnodige ziekenhuisopnamen als het zwaarste gevolg. Geen van die kosten staat op de factuur van de verzekeraar.
Er zit ook een jaarlijkse piek in het ontwerp. Wanneer een middel per 1 januari zijn preferente status verliest, bouwt de leverancier zijn voorraad af, want die is daarna onverkoopbaar. De nieuwe winnaar heeft op 1 januari nog geen voorraad opgebouwd. Rond de jaarwisseling ontstaan zo tekorten die niets met productie te maken hebben, maar alles met de contractkalender.
De daling van 2025 laat zien dat het omkeerbaar is. De KNMP schrijft de afname vooral toe aan extra voorraden die groothandels sinds 2024 hebben aangelegd voor goedkope middelen en in 2025 versneld hebben uitgebreid. Dat is geen productie-innovatie maar een buffer, betaald via afspraken tussen verzekeraars en groothandels over voorraadbeheer. Dezelfde keten, ander ontwerp, ruim 400 minder tekorten.
De tegenbeweging op Europees niveau is de Critical Medicines Act. Raad en Parlement bereikten op 12 mei 2026 een voorlopig akkoord. Publieke inkopers van kritieke middelen worden verplicht om weerbaarheidseisen mee te wegen: voorraadverplichtingen, spreiding van leveranciers, ketenmonitoring. De drempel voor gezamenlijke inkoop door lidstaten daalt van negen naar vijf landen. Publicatie in het Publicatieblad wordt eind 2026 verwacht. Het is precies het omgekeerde van preferentiebeleid: niet de laagste prijs als enig criterium, maar de laagste prijs onder een voorwaarde van leveringszekerheid.
Nederland beweegt langzamer. Minister Hermans meldde de Kamer op 1 april 2026 dat een onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid loopt, met uitkomsten eind 2026. Een tijdelijke beleidsregel verhoogt sinds 2024 op verzoek de maximumprijs van middelen met een lage omzet met 15 procent. De herziening van de Wgp zelf treedt op zijn vroegst in 2029 in werking.
Implicatie voor de gezondheid-stack
In de gezondheid-stack is de generieke pil het schoolvoorbeeld van bereikte overvloed: het patent is verlopen, de productiekosten per dosis zijn laag, en de kennis is wereldwijd beschikbaar. Toch bereikte die overvloed in 2025 3,5 miljoen Nederlanders niet op het moment dat ze het nodig hadden. De flessenhals zit niet in het molecuul en niet in de fabriek, maar in het inkoopcontract dat de keten tot één draad versmalt.
Dat maakt dit tekort anders dan een grondstoftekort. Het is een ontwerpkeuze met een aan/uit-knop. De jaren 2024 en 2025 laten zien dat extra voorraad in de keten honderden tekorten voorkomt. De vraag is niet of Nederland dat kan betalen, maar op welke begroting de kosten van het niet-doen worden geboekt. Lopende signalen uit de zorgketen staan in de ontwikkelingen-feed.
Wat te volgen
Drie indicatoren voor de komende twaalf maanden. Ten eerste het KNMP-cijfer over 2026, begin 2027: daalt het aandeel tekorten onder preferentiebeleid onder de 71 procent, en stijgt het aantal leveranciers per middel weer boven 2,6? Ten tweede de evaluatie van het preferentiebeleid die het kabinet eind 2026 aan de Kamer stuurt, en of daarin leveringszekerheid als inkoopcriterium wordt opgenomen. Ten derde de definitieve tekst en de toepassingsdatum van de Critical Medicines Act, en vooral hoe Nederlandse inkopers de verplichte weerbaarheidseisen gaan invullen.