Het laboratorium haalt 35 procent, de markt koopt 775 watt: waarom paneelvermogen de zonne-economie stuurt
Chinese fabrikant Dinto Solar toonde eind mei 2026 op de vakbeurs Intersolar in München een zonnepaneel van 775 watt met een rendement van 25,0 procent. Het paneel werkt met heterojunctie-techniek (HJT) en een opbouw waarin elke cel in drie stukken is gesneden, wat de kans op microscheurtjes verkleint. Voor een sector die jaren vocht om elke tiende procent rendement is 25 procent een fors getal (zie de ontwikkelingen-feed).
Toch is dat niet het hoogste cijfer dat je dit jaar tegenkomt. In het laboratorium haalde fabrikant LONGi in april 2025 een rendement van 34,85 procent met een tandemcel van silicium en perovskiet, gecertificeerd door het Amerikaanse NREL. Dat ligt zelfs boven de theoretische limiet van een losse siliciumcel. Het gat tussen die twee getallen, 25 tegen bijna 35 procent, legt iets bloot: de echte beweging in de zonne-economie zit niet in het rendement, maar in het vermogen per paneel.
Hoe we hier kwamen
Tien jaar geleden was de cel het dure onderdeel. Dat is voorbij. Tussen 2010 en 2024 daalde de prijs van een zonnemodule met ongeveer 90 procent, en de totale systeemprijs van een zonnepark met 83 procent. De cel is geen knelpunt meer.
Wat wel beweegt, is het vermogen dat in een enkel paneel past. In de referentiemodule van het Amerikaanse onderzoeksinstituut NREL voor 2024 leverde een paneel 530 watt op een oppervlak van 2,57 vierkante meter, een rendement van 20,6 procent. Twee jaar later koopt een ontwikkelaar van een zonnepark standaard bifaciale panelen van 670 tot 720 watt. De vermogensklasse is in twee jaar met ruwweg 12 tot 15 procent omhoog geschoven. Dinto's 775 watt zit aan de bovenkant van die curve, niet in een andere wereld.
De economie erachter
Het verschil tussen een cel en een paneel verklaart waarom vermogen meer telt dan een laboratoriumrecord. Een zonnepark bestaat voor een groot deel uit kosten die niets met de cel te maken hebben: de onderconstructie, de bekabeling, de omvormers, de grond, de vergunningen en de arbeid om alles te plaatsen. Die zogenoemde balance-of-system-kosten beslaan inmiddels 30 tot 50 procent van een zonnepark, terwijl de panelen zelf nog maar 17 tot 25 procent uitmaken.
Veel van die kosten zijn vast per paneel. Een installateur monteert een paneel van 530 watt niet sneller dan een paneel van 775 watt, en de rails en de bekabeling kosten ongeveer evenveel. Een paneel met meer vermogen verdeelt diezelfde vaste kosten dus over meer watt. Daar zit de winst: niet in een cel die een paar procent efficiënter is, maar in een paneel dat meer vermogen in dezelfde handeling levert.
Dat verklaart ook waarom de markt zich splitst. De goedkopere TOPCon-techniek pakt het volume, terwijl HJT-panelen zoals die van Dinto in het duurdere segment blijven. Het laboratoriumrecord van bijna 35 procent komt voorlopig niet in een zonnepark terecht. Tussen een cel in een testopstelling en een paneel op een dak zit een reeks verliezen, en de productie van tandemcellen op grote schaal is nog duur en kwetsbaar. Een rendementsrecord is een belofte over jaren, een vermogensklasse is een prijs van vandaag.
Implicatie voor de energie-stack
Voor de energie-stack betekent dit dat het knelpunt is verschoven. De cel was schaars, werd goedkoop, en is nu de kleinste kostenpost in een zonnepark. De schaarste die overblijft is grotendeels bestuurlijk en fysiek: vergunningen, aansluiting op het net, beschikbare grond en de arbeid om panelen te plaatsen. Hogere wattages verlichten dat probleem deels, omdat een ontwikkelaar met minder panelen en minder handelingen hetzelfde vermogen neerzet. Maar ze lossen de vergunning of de netaansluiting niet op.
De les is dat overvloed zelden ontstaat door één doorbraak. Ze ontstaat doordat de dure onderdelen goedkoop worden en de aandacht verschuift naar wat daarna het duurst is. Het rendement van een cel was twintig jaar lang het verhaal. Nu is het vermogen per paneel het verhaal, en over een paar jaar is het de installatie en het net.
Wat te volgen
Drie indicatoren laten de komende twaalf maanden zien of deze verschuiving doorzet. De eerste is de vermogensklasse die ontwikkelaars standaard inkopen: schuift die van 720 richting 800 watt, dan blijft de verdunning van vaste kosten doorgaan. De tweede is het aandeel van balance-of-system-kosten in de prijs per watt; als dat aandeel verder stijgt, wordt de installatie het echte slagveld. De derde is het moment waarop tandem-techniek niet meer als cel in een laboratorium verschijnt, maar als paneel in een zonnepark. Dat is het signaal dat het volgende rendementsplafond eindelijk de markt raakt.