Nederland publiceert 92% open access, de wereld 40%: de economie achter wetenschappelijke kennis
Sinds 1 januari 2025 betalen Nederlandse onderzoekers bij uitgever Elsevier geen aparte publicatiekosten meer. De Universiteiten van Nederland, de academische ziekenhuizen, onderzoeksfinancier NWO, de KNAW en 23 hogescholen tekenden een nieuw lees- en publiceerakkoord dat loopt tot eind 2026. Auteurs die eronder vallen publiceren gratis in open access, en hun artikelen krijgen standaard een vrije CC BY-licentie. Iedereen ter wereld mag ze lezen, hergebruiken en doorzoeken.
Dat akkoord is geen voetnoot. Nederland publiceerde in 2023 al 92% van zijn wetenschappelijke output open access, tegen 42% in 2016. Wereldwijd ligt dat aandeel lager. Volgens de STM Association was in 2024 ongeveer 40% van alle artikelen, reviews en conferentiebijdragen direct vrij toegankelijk, tegen 14% in 2014. De curve stijgt, maar traag. En de kosten verschuiven eerder dan dat ze verdwijnen.
De kernvraag is simpel. Een digitaal artikel kopiëren kost vrijwel niets. Waarom bleef toegang tot onderzoek dat met belastinggeld is betaald dan decennialang duur?
Hoe we hier kwamen
Het antwoord zit in het verdienmodel, niet in de techniek. Wetenschappelijke uitgevers verkopen sinds de jaren tachtig abonnementen op tijdschriften aan universiteitsbibliotheken, vaak gebundeld in grote pakketten waar instellingen weinig aan konden veranderen. De inhoud leveren onderzoekers gratis aan. De beoordeling, de peer review, doen andere onderzoekers ook gratis. De uitgever organiseert het proces en bezit vervolgens het auteursrecht.
Die combinatie maakt de sector uitzonderlijk winstgevend. De markt voor wetenschappelijk publiceren is goed voor ruim 25 miljard dollar per jaar, en vijf bedrijven beheersen meer dan de helft ervan. Bij Elsevier, onderdeel van RELX, lag de operationele marge in 2024 rond de 38%, met een aangepaste operationele winst van 1,17 miljard pond op 3,05 miljard pond omzet. Dat is een marge in de buurt van Microsoft of Google, behaald op werk dat grotendeels door de publieke sector wordt betaald.
De economie erachter
Open access verandert wie betaalt, maar niet altijd hoeveel. In het oude model betaalde de lezer, via de bibliotheek. In het nieuwe model betaalt vaak de auteur, via een article processing charge (APC). Het gemiddelde van die publicatiekosten lag rond de 2.000 dollar, maar bij prestigieuze titels loopt het hoger op. Elsevier rekent tarieven tot ongeveer 11.400 dollar per artikel.
Daar zit het rebound-risico. Als de kosten simpelweg van de leeskant naar de schrijfkant schuiven, verdwijnt de schaarste niet, maar verplaatst zij zich. Onderzoekers in landen of bij instellingen met kleine budgetten krijgen dan wel toegang, maar kunnen het publiceren niet meer betalen. De Nederlandse aanpak omzeilt dat door de kosten centraal in één akkoord te regelen, zodat de individuele auteur niets hoeft af te rekenen. Dat werkt alleen zolang de onderhandelaars sterk genoeg staan, en zolang de uitgever meedoet.
Daarom is de richting van het beleid belangrijker dan een enkel akkoord. cOAlition S, het samenwerkingsverband van Europese onderzoeksfinanciers achter Plan S, stopte na 2024 met het financieren van zogenoemde transformatieve afspraken: tijdelijke contracten die abonnementen geleidelijk naar open access moesten ombuigen. De Europese Raad ging in mei 2023 een stap verder en riep op tot een publicatiemodel zonder kosten voor auteurs én lezers. De impliciete boodschap: het abonnement was nooit een natuurwet.
Implicatie voor de educatie-stack
Voor de educatie-stack raakt dit de kern. Onderwijs en onderzoek draaien op toegang tot kennis. Wanneer een student in Lagos of een arts in een streekziekenhuis hetzelfde artikel kan lezen als een hoogleraar in Leiden, verdwijnt een barrière die nooit technisch nodig was. De marginale kosten van een extra lezer zijn nul. Elke prijs daarboven is een ontwerpkeuze, geen schaarste.
Dat sluit aan bij een patroon dat in andere domeinen terugkeert, van goedkope energie tot generieke medicijnen (zie de ontwikkelingen-feed). De techniek maakt overvloed mogelijk, maar instituties, contracten en auteursrecht bepalen of die overvloed bij mensen terechtkomt. Kennis is het schoolvoorbeeld: oneindig kopieerbaar, en toch lang afgeschermd.
Wat te volgen
Drie indicatoren laten de komende twaalf maanden zien welke kant het op gaat. Ten eerste: de verlenging van het Nederlandse Elsevier-akkoord na 2026, en of de voorwaarden gunstiger of slechter worden. Ten tweede: het wereldwijde aandeel gouden open access, dat nu rond 40% ligt; een versnelling richting de helft zou betekenen dat de omslag breder wordt dan koplopers als Nederland. Ten derde: de opkomst van non-profit publicatieplatforms zoals Open Research Europe, die het uitgeefproces los willen weken van commerciële marges. Daar, niet in de techniek, wordt beslist of wetenschappelijke kennis echt overvloedig wordt.