584 uur stroom onder de nul: de energiemarkt was niet gebouwd voor overvloed
Op 23 juli 2026 publiceerde het Braziliaanse ministerie van Mijnbouw en Energie een regeling met een scherpe grens. Zonne- en windparken die door netproblemen worden afgeschakeld, krijgen een vergoeding. Parken die worden afgeschakeld omdat er simpelweg te veel stroom is, krijgen niets. Dat laatste is volgens het besluit "een marktrisico van de producent" (pv magazine, 23 juli 2026). Met een enkele zin trekt Brazilië een lijn die in Europa nog onbeslist is: wie draagt de kosten als schone stroom niets meer waard is?
Die vraag is niet theoretisch. In 2025 kende Nederland 584 uur met een negatieve stroomprijs op de day-aheadmarkt, tegen ongeveer 460 uur in 2024 (TenneT, Annual Market Update). Een negatieve prijs betekent dat een producent geld toelegt om stroom te mogen leveren. Het is het prijssignaal van overvloed. Op zonnige, winderige uren is er meer aanbod dan het net en de vraag samen aankunnen.
Nederland is geen uitzondering. Eind oktober 2025 telde Zweden 593 van deze uren, Nederland 584, Duitsland 576, Spanje 569 en België 519 (pv magazine, 3 november 2025). In het eerste kwartaal van 2026 registreerde de EU-27 samen 1.223 uur met negatieve prijzen. Dat is ruim twee keer zoveel als een jaar eerder en meer dan tien keer het niveau van begin 2022 (analyse Ricardo op basis van ENTSO-E-data). De trend versnelt.
Hoe we hier kwamen
De oorzaak is geen tegenslag maar succes. Zonnepanelen en windmolens hebben een marginale kostprijs van bijna nul. Als de zon schijnt, kost de volgende kilowattuur niets. Zolang deze bronnen een klein deel van de mix waren, viel dat niet op. Nu ze op piekmomenten de grootste bron zijn, drukken ze de groothandelsprijs op precies die uren naar beneden.
Tegelijk loopt de infrastructuur achter. Het net kan de pieken niet altijd afvoeren en grootschalige opslag is er nog te weinig. Het gevolg is afschakeling. In Nederland groeide de marktgebaseerde curtailment, waarbij eigenaren zelf terugregelen op een negatieve prijs, van 88 gigawattuur in 2022 naar meer dan 1.000 gigawattuur in 2025 (TenneT). Dat is meer dan een vertienvoudiging in drie jaar. De stroom is er wel, maar wordt weggegooid.
De economie erachter
Negatieve prijzen verdelen winst en verlies opnieuw. Wie flexibel verbruikt, wint. Een batterij, een warmtepomp of een elektrolyser die juist op die uren aanslaat, koopt stroom voor bijna niets. Wie star produceert, verliest. De capture rate van zonne-energie, de gemiddelde prijs die zonnestroom haalt ten opzichte van het marktgemiddelde, zakte in Nederland in 2025 naar 65 procent (TenneT). Zonneparken vangen dus steeds vaker de laagste prijs van de dag.
Daarom doet de Braziliaanse regeling ertoe. Door alleen netgerelateerde afschakeling te vergoeden en overaanbod uit te sluiten, legt de overheid het prijsrisico van overvloed bij de bouwer van het park. Dat remt de bouwdrift precies waar die het hardst nodig is. Maar het beschermt de belastingbetaler tegen een open rekening. Die keuze is een ontwerpkeuze, geen natuurwet. Een land dat overaanbod wel vergoedt, bouwt meer, maar subsidieert ook meer verspilling.
Er zit een rebound-risico in. Goedkope daluren lokken nieuw verbruik: datacenters, waterstoffabrieken, auto's die overdag laden. Dat is deels gewenst, want het benut de overvloed. Maar als dat verbruik leunt op fossiele back-up voor de donkere uren, verschuift het probleem alleen. De winst zit in verbruik dat kan wachten, niet in verbruik dat altijd aan staat.
Implicatie voor de energie-stack
Voor de energie-stack verschuift hiermee de schaarste. Tien jaar lang ging het om de kostprijs per kilowattuur. Die slag is grotendeels gewonnen. De nieuwe schaarste zit in flexibiliteit: opslag, stuurbare vraag en marktregels die overvloed belonen in plaats van afstraffen. In april 2026 werd in Duitsland 46,7 procent van alle zonnestroom geleverd tijdens uren met een negatieve prijs (Ricardo, ENTSO-E). Bijna de helft van de oogst kwam op de markt wanneer die niets opleverde. Zonder opslag en flexibele vraag is elk extra paneel deels een investering in weggegooide stroom.
De Braziliaanse regeling is een vroeg voorbeeld van de bestuurlijke laag die hierbij hoort. Het is geen technologie, maar een afspraak over wie het risico draagt. Vergelijkbare keuzes komen op Nederland en de EU af: hoe worden batterijen beloond, mag de netbeheerder afschakeling afdwingen en tegen welke prijs? Wie deze vragen goed beantwoordt, zet overvloed om in lagere rekeningen. Wie ze slecht beantwoordt, houdt overvloed op papier en schaarste in de praktijk. Andere bewegingen in dezelfde richting staan in de ontwikkelingen-feed.
Wat te volgen
Drie indicatoren laten de komende twaalf maanden zien welke kant het opgaat. De eerste is het aantal uren met negatieve prijzen in Nederland. Blijft de teller onder de 584 van 2025, of gaat hij eroverheen? De tweede is de capture rate van zon en wind op land, nu 65 en 75 procent. Stabiliseert die dankzij batterijen, of zakt hij verder? De derde is de vraag of Nederland en de EU, net als Brazilië, expliciete regels maken voor de vergoeding van curtailment. De kilowattuur is goedkoop geworden. Of die overvloed waarde krijgt, hangt nu af van de regels eromheen.