De economie groeide, de gewerkte uren daalden: wie krijgt de gewonnen tijd?
In 2025 groeide de Nederlandse economie met 1,8 procent. Tegelijk werd er in totaal 0,6 procent minder uren gewerkt. Het CBS rekende die twee cijfers om naar een stijging van de arbeidsproductiviteit met 2,4 procent, de hoogste in twintig jaar. In 2023 en 2024 daalde diezelfde productiviteit nog.
Dat is een zeldzame combinatie. Meer produceren uit minder uren is precies wat technologie hoort te doen. In het decennium tot 2025 groeide de Nederlandse arbeidsproductiviteit gemiddeld met 0,3 procent per jaar. In de twee decennia daarvoor was dat respectievelijk 0,7 en 1,7 procent. Eén jaar maakt geen trend. Maar 2025 laat wel zien hoe de rekensom eruitziet zodra de productiviteit weer meebeweegt.
De interessante vraag is niet of die winst blijft. De vraag is wie hem opeist.
Hoe we hier kwamen
Keynes voorspelde in 1930 dat technologische vooruitgang de werkweek rond 2030 zou terugbrengen tot vijftien uur. Het productiviteitsdeel van die voorspelling is grotendeels uitgekomen: een gewerkt uur levert nu vijf tot acht keer zoveel op als in 1930, aldus de heranalyse van zijn essay in het tijdschrift Economica. Het urendeel niet. De werkweek is gekrompen, maar met een fractie van die factor.
Nederland zit hier in een uitzonderingspositie. Volgens Eurostat werkten Nederlanders van 20 tot 64 jaar in 2025 gemiddeld 31,9 uur per week in hun hoofdbaan, het laagste cijfer van de hele EU. Het EU-gemiddelde lag op 35,9 uur, tien jaar eerder was dat nog 36,9 uur. Griekenland stond bovenaan met 39,6 uur.
Die Nederlandse korte werkweek is alleen geen bewuste omzetting van productiviteitswinst in vrije tijd. Eurostat tekent er zelf bij aan dat het gemiddelde sterk wordt bepaald door het aandeel deeltijdwerkers. In Nederland is dat aandeel hoog, verdeeld langs bekende lijnen van sekse, zorgtaken en het anderhalfverdienersmodel. De uitkomst lijkt op overvloed aan tijd, maar de onderliggende verdeling is dat niet.
De economie erachter
Het Nederlandse beleidsdebat beweegt intussen de andere kant op. De SER concludeerde in zijn advies over arbeidsmarktkrapte dat menskracht de komende dertig jaar de beperkende factor blijft in zorg, onderwijs, kinderopvang en veiligheid, en adviseerde om meer uren werken aantrekkelijker te maken. Bij vergrijzing en oplopende wachtlijsten is dat een verdedigbare lijn. Het effect is wel dat productiviteitswinst wordt omgezet in extra productie, niet in vrijgekomen tijd.
Het bewijs voor de andere route is dunner dan voorstanders vaak suggereren, maar het bestaat. In Nature Human Behaviour publiceerden Fan, Schor, Kelly en Gu in juli 2025 de grootste studie tot nu toe naar de vierdaagse werkweek: 2.896 werknemers bij 141 organisaties in zes landen, zes maanden lang vier dagen werken zonder loonsverlaging, gemiddeld vijf uur minder per week. Burn-outklachten daalden van 2,83 naar 2,38 op een schaal van 1 tot 5. De werktevredenheid steeg van 7,07 naar 7,59 op een schaal van 0 tot 10. In twaalf controlebedrijven bleef dat patroon uit.
Twee kanttekeningen bepalen hoe zwaar dit weegt. De deelnemende bedrijven meldden zich vrijwillig aan en herorganiseerden hun werk vooraf om efficiënter te worden. Dat is geen willekeurige steekproef, en de voorbereiding is onderdeel van het effect. Daarnaast is de productiviteit grotendeels zelfgerapporteerd. Werknemers vonden zichzelf even productief, wat iets anders is dan gemeten output per uur. Nature wees ook op werkintensivering: vijf dagen werk in vier dagen persen levert extra druk op.
Implicatie voor de tijd-stack
Tijd is de enige stack waarin de voorraad per persoon vaststaat. In de energiestack betekent overvloed meer kilowatturen tegen dalende kosten. In de tijd-stack kan overvloed alleen ontstaan als bespaarde uren daadwerkelijk vrijkomen. Automatisering die een taak halveert levert pas tijd op wanneer de vrijgekomen uren niet meteen met nieuwe taken worden gevuld.
Dat patroon komt elders in de stacks terug. Europa kan 25 gigawatt schone opwek toevoegen door bestaande netaansluitingen te delen in plaats van nieuwe kabels te leggen (zie de ontwikkelingen-feed). Betere benutting van bestaande capaciteit, in plaats van meer capaciteit bouwen. Bij arbeid ligt precies dezelfde keuze op tafel: gewonnen productiviteit omzetten in meer output, of in minder uren. Beide zijn ontwerpkeuzes. Geen van beide volgt automatisch uit de techniek.
Wat te volgen
Drie indicatoren maken de komende twaalf maanden zichtbaar welke kant het op gaat.
Het CBS-cijfer voor de arbeidsproductiviteit over 2026, dat in het voorjaar van 2027 verschijnt, laat zien of die 2,4 procent een uitschieter was of het begin van herstel na tien magere jaren. Blijft de groei boven één procent, dan wordt de verdelingsvraag urgent.
De Eurostat-reeks over feitelijk gewerkte uren toont of het EU-gemiddelde verder onder 35,9 uur zakt, en of de Nederlandse 31,9 uur meebeweegt of juist oploopt onder druk van krapte-beleid.
En bij vierdaagse-werkweekexperimenten telt vanaf nu alleen nog gemeten output. Zolang de productiviteitsclaim op zelfrapportage rust, blijft het onderscheid tussen echte tijdwinst en slimmer verpakte werkdruk onbeslist.