Negen miljard dollar aan geschrapte plannen: de rekensom die groene waterstof tegenhoudt
De fabrieken staan klaar. Wereldwijd kan de industrie meer dan 140 gigawatt aan elektrolysers per jaar produceren, blijkt uit de Global Hydrogen Review 2025 van het Internationaal Energieagentschap (IEA). Geïnstalleerd staat er veel minder: ongeveer 2 gigawatt eind 2024, met ruim 1 gigawatt erbij tot juli 2025. De productiecapaciteit is dus tientallen keren groter dan wat er daadwerkelijk in de grond staat.
Tegelijk sneuvelen de plannen. Ruim tachtig procent van de recente annuleringen in de waterstofsector betreft groene waterstof, het soort dat met hernieuwbare stroom uit water wordt gemaakt. De Rhodium Group telde sinds 2018 voor ongeveer negen miljard dollar aan geschrapte projecten, vrijwel allemaal groen.
Dat is een raadsel. Waterstof is het meest voorkomende element in het heelal. De techniek om het uit water te splitsen, elektrolyse, is meer dan een eeuw oud. En de stroom die je ervoor nodig hebt, wordt juist goedkoper: zonne-energie is nog nooit zo goedkoop geweest, zie de ontwikkelingen-feed. De grondstoffen zijn er, de fysica klopt. Toch blijft groene waterstof schaars. De rem zit ergens anders.
Hoe we hier kwamen
Rond 2020 gold waterstof als de ontbrekende schakel van de energietransitie. De Europese Unie lanceerde een waterstofstrategie, lidstaten volgden met nationale programma's. Nederland mikt op minstens 4 gigawatt elektrolyse-capaciteit in 2030. Shell bouwde op de Maasvlakte Holland Hydrogen 1, met 200 megawatt een van de grootste van Europa, dat vanaf 2026 moet gaan produceren.
Vanaf 2022 liep de hype vast op de rekening. Inflatie, hogere rentes en duurdere bouwmaterialen joegen de kosten op. De 'groene premie', het prijsverschil met waterstof uit aardgas, werd groter in plaats van kleiner. Projecten werden uitgesteld of afgeblazen. In april 2026 stopten Equinor en Linde een fabriek voor blauwe waterstof in de Eemshaven, goed voor 210.000 ton per jaar. Blauw, niet eens groen: ook de tussenvariant met aardgas en CO2-opslag bleek niet rond te rekenen.
De economie erachter
De kern is een gat tussen twee getallen. Ongesubsidieerde groene waterstof kost in Europa grofweg 4 tot 7 euro per kilo. Industriële afnemers willen er minder dan 3 euro voor betalen. Zolang dat gat niet dichtgaat, tekent bijna niemand een langjarig contract. En zonder afnemer komt een project niet aan financiering.
Dat zie je terug in de cijfers. De IEA-pijplijn voor 2030 is gekrompen. Van de capaciteit die als kansrijk geldt, is minder dan een vijfde gedekt door bindende afspraken met zowel een leverancier als een afnemer. De rest bestaat uit intenties. De flessenhals is niet de elektrolyser, maar de vraagkant: er is te weinig koper die de meerprijs wil dragen.
Een deel van de schaarste is wél fysiek, en dat verdient eerlijkheid. PEM-elektrolysers hebben iridium nodig, een van de zeldzaamste metalen op aarde. Alkalische elektrolysers omzeilen dat, maar leveren hun eigen afwegingen in. En de goedkoopste elektrolysers komen inmiddels uit China: dat land heeft 65 procent van de capaciteit die een definitief investeringsbesluit haalde of in aanbouw is, tegen kosten die 40 tot 45 procent lager liggen dan in Europa of de VS. Wie wint, is dus niet vanzelf de Europese maakindustrie.
Implicatie voor de energie-stack
Voor de energie-stack is dit het centrale patroon: de schaarste van groene waterstof is grotendeels ontworpen, niet natuurkundig. Ze zit in de kostenstructuur en in de regels, niet in de moleculen. Dat blijkt uit hoe snel het speelveld verschuift zodra beleid verandert.
De Europese Commissie herziet in het tweede kwartaal van 2026 de criteria voor 'hernieuwbare' waterstof, juist omdat de opschaling tegenvalt. De strenge eis dat de stroom uit nieuwe, aparte wind- of zonneparken moet komen, wordt waarschijnlijk versoepeld tot 2035. Nederland neigt dezelfde kant op: de subsidie voor volledig hernieuwbare productie is afgerond op bijna 250 miljoen euro voor zeven projecten, en tegelijk klinkt de roep om de definitie op te rekken. Of groene waterstof schaars blijft, wordt niet in een laboratorium beslist. Het wordt beslist in gedelegeerde handelingen, en in de vraag of overheden afname durven af te dwingen.
Wat te volgen
Drie indicatoren maken de komende twaalf maanden het verschil. Ten eerste: groeit het volume aan bindende afnamecontracten voorbij de huidige twee miljoen ton per jaar. Ten tweede: de uitkomst van de Europese herziening in 2026, en of soepeler regels tot echte investeringsbesluiten leiden of alleen tot 'grijzere' waterstof. Ten derde: de bezetting van de elektrolyser-fabrieken. Zolang 140 gigawatt aan jaarcapaciteit grotendeels stilstaat, is een prijsval of een schudding onder fabrikanten waarschijnlijker dan een tekort.