Staal is niet schaars, schoon staal is duur: de economie achter de groene premie
In april 2026 haalde Stegra, het Zweedse staalbedrijf dat eerder H2 Green Steel heette, 1,4 miljard euro extra financiering op om zijn fabriek in Boden af te bouwen. Daarmee komt het totale projectbudget op ongeveer 6,5 miljard euro. De fabriek maakt staal met waterstof in plaats van steenkool en draait straks op een elektrolyser van zo'n 800 megawatt, een van de grootste ter wereld. De installatie laat zien dat CO2-vrij staal technisch geen toekomstmuziek meer is. Het wordt nu gebouwd.
Toch hangt boven dat staal een prijskaartje dat de hele transitie ophoudt. Staal is verantwoordelijk voor 7 tot 8 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Elke ton staal leverde in 2024 gemiddeld 2,18 ton CO2 op, en bij een productie van 1.886 miljoen ton komt de sector uit op ruim 4 miljard ton CO2 per jaar. De grondstof zelf is niet schaars: ijzererts is overvloedig en schroot is keer op keer herbruikbaar. Wat schaars is, is schoon staal. En die schaarste is geen natuurwet maar een prijsverschil.
Hoe we hier kwamen
De klassieke route maakt staal in een hoogoven met cokes, een vorm van steenkool. Die kool doet twee dingen tegelijk: hij levert de hitte en hij trekt de zuurstof uit het ijzererts. Daardoor zit koolstof ingebakken in het proces zelf, niet als bijzaak maar als gereedschap. Die techniek is ruim 150 jaar oud en goedkoop, juist omdat steenkool goedkoop is.
Het alternatief heet hydrogen-DRI: directe reductie van ijzer met waterstof. De waterstof neemt de rol van de cokes over en het enige restproduct is water. Werkt de elektrolyser op zonne- en windstroom, dan is de keten vrijwel CO2-vrij. Het probleem zit niet in de scheikunde. Het zit in de rekening.
De economie erachter
Schoon staal kost vandaag meer. In Noord-Europa lag de groene premie begin 2026 tussen de 100 en 170 euro per ton, becijferde marktanalist Fastmarkets. Wereldwijd komt het verschil bij een waterstofprijs van 5 dollar per kilo uit op ongeveer 225 dollar per ton. Die premie is geen vast gegeven. Hij hangt aan twee prijzen.
De eerste is de waterstofprijs. Groene waterstof kost nu in veel landen 4 tot 6 dollar per kilo, in Duitsland via stroomcontracten zelfs rond de 10 euro. Zakt die prijs onder de 2 tot 3 dollar, dan verdampt het grootste deel van de premie. De tweede prijs is die van CO2. Hoe duurder uitstoot wordt via het Europese emissiehandelssysteem en de nieuwe importheffing CBAM, hoe kleiner het gat tussen vuil en schoon staal. Het omslagpunt ligt dus niet ver weg, maar het is nog niet bereikt.
De tweede-orde effecten zijn scherp verdeeld. Winnaars zijn fabrieken die naast goedkope wind- en zonnestroom staan, zoals Stegra in Noord-Zweden. Verliezers zijn de grote geintegreerde hoogovens die aan aardgas en steenkool vastzitten. Er is ook een reeel risico op stilstand. Het Internationaal Energieagentschap zag de wereldwijde waterstofprojectenpijplijn in 2025 met een kwart krimpen. Zonder afnemers die de premie betalen, blijft groen staal een nicheproduct en stokt de hele keten.
Implicatie voor de materials-stack
Staal is het schoolvoorbeeld van de materials-stack: een grondstof die fysiek overvloedig is, maar waarvan de schone variant kunstmatig duur blijft door de keuze van energie-input en de prijs van koolstof. Verlaag de waterstofprijs en beprijs uitstoot eerlijk, en de schaarste lost op.
Nederland heeft hier een concreet belang. Tata Steel in IJmuiden is de grootste industriele CO2-bron van het land. Het Groen Staal-plan wil het ijzer voortaan met waterstof reduceren. Een eerste DRI-installatie kan tussen 2028 en 2030 draaien en scheelt 3,1 tot 3,8 miljoen ton CO2 per jaar. Het bedrijf mikt op 40 procent minder uitstoot in 2030 en op een klimaatneutrale fabriek in 2045. Of dat tempo haalbaar is, hangt af van dezelfde twee prijzen die ook in Boden tellen. Wie de losse signalen op de voet wil volgen, vindt ze in de ontwikkelingen-feed.
Wat te volgen
Drie indicatoren bepalen of de groene premie de komende twaalf maanden krimpt. Ten eerste de prijs van groene waterstof: het verschil tussen 5 en 3 dollar per kilo is voor staal het verschil tussen niche en markt. Ten tweede de Europese CO2-prijs en de invoering van CBAM, die de rekening voor vuil importstaal opdrijven. Ten derde de eerste commerciele leveringen van Stegra in Boden en het investeringsbesluit van Tata in IJmuiden. Die twee fabrieken zijn de testcase voor de vraag of schoon staal goedkoop genoeg wordt om de norm te worden.