Bijna 100.000 dollar op de prijslijst, gemiddeld 16.910 dollar netto: de prijs van een Amerikaanse bachelor is een onderhandeling
Op 9 oktober publiceerde The Hechinger Report een column van een Amerikaanse scholier die een droomuniversiteit afwees. De kosten bij Tufts liepen tegen de 100.000 dollar per jaar, inclusief huisvesting en maaltijden. Haar rekenmachine gaf eerst zo'n 60.000 dollar aan. Het definitieve aanbod liet een jaarlijks gat van 94.536 dollar zien. Zij koos SUNY Binghamton, geschat op ongeveer 32.000 dollar per jaar voor een inwoner van New York. Tufts zegt overigens dat de rekenmachine een redelijke schatting geeft en dat het definitieve bedrag afhangt van geverifieerde FAFSA- en CSS-gegevens. Dit is één verhaal, geen statistiek. Maar het raakt aan een vraag die verder gaat dan één gezin: wat is de prijs van een bachelor eigenlijk? (zie de ontwikkelingen-feed)
De gemiddelden vertellen een ander verhaal dan de prijslijst. Volgens de College Board kostte een bachelor aan een Amerikaanse publieke vierjaars instelling in 2025-26 gemiddeld 11.950 dollar aan collegegeld en toeslagen voor inwoners van de staat. Bij private non-profitinstellingen was dat 45.000 dollar. De geschatte nettoprijs, na grants en in dollars van 2025, was 2.300 dollar bij publieke en 16.910 dollar bij private instellingen. De prijslijst is dus geen prijs. Het is het startpunt van een onderhandeling.
Hoe we hier kwamen
Amerikaanse instellingen financieren zich veel meer met collegegeld dan Europese. De OESO becijferde in Education at a Glance 2026 dat publieke bronnen gemiddeld 68 procent van de uitgaven per student dekken in de lidstaten. In het Verenigd Koninkrijk is dat 21 procent. Huishoudens dragen gemiddeld 19 procent bij. De OESO rekent bij deze cijfers met uitgaven in 2023, en met landen als Australië, Canada en het Verenigd Koninkrijk als voorbeelden van stelsels met leningen en een groot huishoudaandeel.
Nederland zit aan de andere kant van die schaal. Het wettelijk collegegeld voor voltijdstudenten is in 2026-2027 vastgesteld op 2.694 euro, tegen 2.601 euro een jaar eerder. Dat is een stijging van ongeveer 3,6 procent. Het bedrag is voor iedere student aan elke bekostigde instelling gelijk. Een rekenmachine of een onderhandeling is niet nodig.
De economie erachter
Een hoge prijslijst met hoge kortingen werkt als prijsdiscriminatie. Gezinnen met veel vermogen betalen veel, gezinnen met weinig betalen weinig. Voor de instelling kan dat efficiënt zijn. Voor de student zijn de kosten verborgen: aanvraagformulieren, vermogenstoetsen en onzekerheid tot het definitieve aanbod er is. De Hechinger-column laat zien wat er gebeurt als de schatting en het aanbod ver uit elkaar liggen. Volgens een Gallup-peiling die de schrijfster aanhaalt, vindt slechts 12 procent van de Amerikanen een vierjaars opleiding betaalbaar.
Het Nederlandse model heeft een eigen prijs. Een vaste, lage prijs vraagt om publieke financiering die elk jaar opnieuw politiek verdedigd moet worden. De OESO meldt voor 2023 dat de personeelskosten per voltijdstudent aan Nederlandse publieke instellingen 23.373 dollar bedroegen, tegen 21.204 dollar in de Verenigde Staten. De uitgaven zijn dus vergelijkbaar. Wie ze betaalt, verschilt. Let op: de definities van uitgaven en instellingen verschillen per land, dus de vergelijking is indicatief.
Rebound-risico zit aan beide kanten. Een lage prijs kan een hoger aanbod aan studieplekken onder druk zetten als de bekostiging niet meegroeit. Een hoge prijslijst kan studenten afschrikken die in werkelijkheid een lage nettoprijs zouden betalen. Zij kiezen dan een goedkopere opleiding op basis van de prijslijst, niet op basis van wat ze echt zouden betalen. Dat is een kostenpost zonder factuur.
Implicatie voor de onderwijs-stack
In de onderwijs-stack van Project Alithea is toegang een ontwerpkeuze. Kennis is niet schaars. De schaarste zit in de plek, de prijs en de informatie die nodig is om de prijs te begrijpen. Het Amerikaanse voorbeeld laat zien dat een gemiddelde nettoprijs van 2.300 dollar naast een prijslijst van bijna 100.000 dollar kan bestaan. Wie de prijs niet kan voorspellen, beslist op de prijslijst. Overvloed in onderwijs vraagt dus meer dan lage gemiddelden: ze vraagt een prijs die vooraf bekend, vergelijkbaar en betrouwbaar is.
Wat te volgen
Drie indicatoren zijn de komende twaalf maanden de moeite waard. Eerste: het verschil tussen de nettoprijs uit rekenmachines en het definitieve aanbod bij selectieve Amerikaanse instellingen, zoals dat in de volgende editie van de College Board Trends in College Pricing wordt gerapporteerd. Tweede: de hoogte van het Nederlandse wettelijk collegegeld in 2027-2028 ten opzichte van de 2.694 euro van 2026-2027. Derde: het aandeel publieke financiering per student in de volgende editie van Education at a Glance van de OESO, met name in landen met een groot huishoudaandeel.