63 procent van de cloud zit bij drie bedrijven, ondanks drie pogingen om te ontsnappen
In juli 2024 legde een fout bij een cybersecurityleverancier wereldwijd 8,5 miljoen Windows-apparaten plat, meldde Microsoft destijds. Minder dan 1 procent van alle Windows-machines was geraakt. Toch was het effect uit alle verhouding: luchthavens staakten incheckbalies, ziekenhuizen schakelden over op papier en beurzen liepen vertraging op. De storing liet zien hoe diep de wereld inmiddels verweven zit met een handvol Amerikaanse clouddiensten.
Twee jaar later proberen overheden op drie continenten daar iets aan te doen. De Europese Commissie kondigde op 9 april 2025 het AI Continent Action Plan aan: dertien "AI-fabrieken" en tot vijf "AI-gigafabrieken", publiek-private samenwerkingen met een investeringsdoel van 200 miljard euro. India overweegt een eigen infrastructuurplan onder de naam FutureLab. Brazilië laat staatsbedrijven een tussenlaag bouwen tussen overheidsdiensten en de bestaande cloudreuzen. Auteur Cecilia Rikap laat in haar boek "The Rulers" zien dat geen van de drie initiatieven het marktaandeel van Amazon, Microsoft en Google heeft aangetast. Die analyse kwam deze zomer langs op de ontwikkelingen-feed. Sterker nog: dat gezamenlijke aandeel groeide van 61 naar 63 procent tussen het derde kwartaal van 2023 en hetzelfde kwartaal van 2025, blijkt uit cijfers van Synergy Research Group.
Hoe we hier kwamen
De concentratie is geen toeval. Een datacenter dat aan de eisen van AI-training voldoet, kost inmiddels miljarden euro's per locatie. Alleen bedrijven met toegang tot goedkoop kapitaal en een bestaande wereldwijde infrastructuur konden die investering opbrengen. De vraag groeide intussen hard mee: de wereldwijde omzet in cloud-infrastructuur steeg van 68 miljard dollar naar 107 miljard dollar per kwartaal in twee jaar tijd, meldde Synergy Research Group in november 2025. Een groter aandeel van een snel groeiende markt is dus een groter bedrag, niet alleen een groter percentage.
Overheden namen de kortste weg en kochten in. Het Verenigd Koninkrijk sloot in 2024 een vijfjarig contract met Microsoft. Duitsland werkt met AWS en partner Bechtle, en Nieuw-Zeeland gaf Google Cloud een overheidsbrede overeenkomst. Israël ging het verst met Project Nimbus, een contract van 1,2 miljard dollar met Google en Amazon voor militaire cloud-infrastructuur, zo onthulden werknemers van beide bedrijven destijds. Die contracten losten een acuut probleem op, maar bouwden tegelijk een afhankelijkheid op die zich moeilijk laat terugdraaien.
De economie erachter
De huidige ontsnappingspogingen mislukken om een steeds terugkerende reden: ze vervangen de laag onder Big Tech, niet de laag erboven. Rikap noemt dit intellectuele monopolisering: zeggenschap over software, chipontwerp en modelarchitectuur, los van de vraag wie de fysieke servers host. Europese start-ups trainen hun modellen straks mogelijk op Europese supercomputers, maar zullen ze naar verwachting nog altijd via Amazon, Microsoft of Google aan klanten leveren.
Indiase adviseurs voor FutureLab, onder wie oud-medewerkers van Intel en Oracle, stellen een publiek-private infrastructuur voor. Die verlengt juist de afhankelijkheid van diezelfde bedrijven: Indiase onderwijs- en zorgtechnologie draait nu al voor een groot deel op Oracle-servers. Brazilië plaatst zijn tussenlaag boven, niet in plaats van, de onderliggende Amerikaanse techniek.
Zelfs China, vaak aangehaald als tegenvoorbeeld omdat het een volledig eigen cloudmarkt heeft opgebouwd, ontsnapt niet aan het patroon. Chinese technologiebedrijven werken volgens een inhaalmodel: niet van nul naar één, maar van één snel naar honderd door Amerikaanse doorbraken lokaal te schalen. Toen Huawei met 5G wel een sprong voorwaarts probeerde te maken, blokkeerden Amerikaanse handelsrestricties de uitrol in westerse markten. En het goedkope AI-model DeepSeek, ontwikkeld in China, wordt vooral als dienst verhuurd via de clouddiensten van de grote Amerikaanse aanbieders. Dat versterkt die bedrijven eerder dan dat het ze verzwakt.
Implicatie voor de informatie-stack
Digitale infrastructuur is een schoolvoorbeeld van schaarste als ontwerpkeuze: kapitaalintensiteit, netwerkeffecten en eigendom van de onderliggende software hielden de markt bij drie partijen. Maar 2026 laat ook zien dat de omgekeerde ontwerpkeuze niet vanzelf tot overvloed leidt. Een publieke supercomputer erbij zetten verandert niets aan wie de programmeertaal, de chipontwerpen en de modelarchitectuur bezit.
Voor de informatie-stack betekent dit dat soevereiniteitsbeleid dat alleen infrastructuur financiert, waarschijnlijk hetzelfde lot wacht als de Indiase en Braziliaanse plannen. Ook de Europese gigafabrieken voegen dan vooral een extra laag toe boven een ongewijzigd fundament.
Wat te volgen
Drie indicatoren geven de komende twaalf maanden aan of er meer gebeurt dan symboolpolitiek. Ten eerste: of Europese start-ups die op EU-supercomputers trainen hun diensten ook daadwerkelijk buiten Amazon, Microsoft en Google om uitleveren. Ten tweede: of India's FutureLab-plan wordt goedgekeurd met Intel en Oracle als partner, of dat de overheid alsnog voor een onafhankelijker model kiest. Ten derde: of het gezamenlijke marktaandeel van de drie clouddiensten in de Synergy-cijfers over 2026 verder oploopt of eindelijk afvlakt.