Het datacenter dat zijn eigen stroom meebrengt
Het Australische bedrijf Firmus, bouwer van grootschalige AI-rekencentra, tekende op 1 juli een stroomcontract van 600 megawatt met energiehandelaar Gunvor. De looptijd: twaalf jaar. Het opvallende zit niet in de omvang, maar in de constructie. Aan het contract is de bouw van 1,2 gigawatt aan nieuwe hernieuwbare opwek en 1,5 gigawattuur aan batterijopslag gekoppeld, op te leveren voor 2032 zie de ontwikkelingen-feed.
Er zit nog een tweede clausule in. Firmus verplicht zich om tot 220 uur per jaar zijn stroomverbruik terug te schroeven wanneer de groothandelsprijs boven een afgesproken drempel komt. Het datacenter gedraagt zich op die momenten niet als vraag, maar als buffer voor het net.
Dat is een breuk met hoe datacenters tot nu toe stroom inkochten. En het raakt een vraag die ook in Nederland speelt: wie betaalt de netcapaciteit die nieuwe grootverbruikers nodig hebben?
Hoe we hier kwamen
De vraag naar rekenkracht explodeert. Het Internationaal Energieagentschap (IEA) rekent voor dat datacenters wereldwijd van 485 terawattuur in 2025 naar ongeveer 950 terawattuur in 2030 gaan: een verdubbeling in vijf jaar, goed voor zo'n 3 procent van de mondiale elektriciteitsvraag. De Verenigde Staten en China nemen bijna 80 procent van die groei voor hun rekening.
Het oude inkoopmodel werkte zo: een datacenter sloot aan op het bestaande net en kocht groencertificaten of een jaarcontract voor hernieuwbare stroom. Op papier klopte de som. In de praktijk niet altijd. Google rapporteerde in 2019 een 100 procent hernieuwbare dekking op jaarbasis, maar per uur gemeten was slechts 61 procent van het verbruik daadwerkelijk gedekt door schone stroom. Een zonnecontract dat om twaalf uur 's middags levert, compenseert boekhoudkundig het gasverbruik van middernacht. Het net merkt daar niets van.
De economie erachter
De Firmus-constructie draait de volgorde om. De vraag van het datacenter dient als anker voor nieuwe capaciteit die er zonder dat anker niet was gekomen. Concreet: Firmus neemt stroom af van het geplande Koolunga-batterijpark van 200 megawatt en 800 megawattuur in Zuid-Australië. Die afnamegarantie maakt de businesscase van de batterij rond. Australische energiemedia noemen de deal dan ook de onderschrijving van een batterij die het net toch al nodig had.
Zuid-Australië is daarvoor een logische plek. De deelstaat draait al een van de hoogste aandelen wind en zon ter wereld en kampt daardoor met precies het probleem dat een flexibele grootverbruiker kan verzachten: overschotten midden op de dag, krapte in de avond.
Er zijn kanttekeningen. Die 220 uur verplichte afschakeling klinkt fors, maar is 2,5 procent van het jaar. De overige 97,5 procent concurreert het datacenter gewoon met huishoudens en industrie om stroom. En het bekende rebound-risico geldt ook hier: hoe goedkoper de stroom voor rekenkracht, hoe meer rekenkracht er wordt bijgebouwd. De geplande campussen van Firmus tellen samen al 2,7 gigawatt.
Vergelijk dat met Nederland. Hier staan bijna twaalfduizend grootverbruikers in de wachtrij voor een afname-aansluiting. TenneT won begin dit jaar een rechtszaak van een datacenterbedrijf dat directe aansluiting eiste: het net rond Vijfhuizen is pas tussen 2033 en 2035 voldoende verzwaard. Het Nederlandse model laat de netbeheerder eerst bouwen en de grootverbruiker wachten. Het Australische model laat de grootverbruiker meebetalen aan wat er nog niet staat.
Implicatie voor de energie-stack
Voor de energie-stack bevestigt deze deal een patroon dat vaker terugkomt: de schaarste zit niet meer in de opwek, maar in de aansluiting en de flexibiliteit eromheen. Zonne- en windstroom zijn goedkoop. Wat ontbreekt is capaciteit op het juiste moment en de juiste plek.
Datacenters kunnen dat probleem verergeren of helpen oplossen. Dat hangt af van de contractvorm. Een datacenter dat vaste stroom eist uit een vol net, verdringt andere gebruikers. Een datacenter dat nieuwe opwek plus opslag meebrengt en piekuren mijdt, voegt capaciteit toe waar iedereen op het net iets aan heeft. De technologie is in beide gevallen dezelfde. Het verschil is een ontwerpkeuze in het contract.
Wat te volgen
Drie indicatoren voor de komende twaalf maanden. Eerst: haalt de gekoppelde 1,2 gigawatt aan opwekprojecten daadwerkelijk een investeringsbesluit, of blijft het bij een intentie? Tweede: schalen Nederlandse netbeheerders flexibele aansluitcontracten op, waarbij grootverbruikers korting krijgen in ruil voor afschakelbaarheid? Derde: rapporteren meer grote stroominkopers hun dekking per uur in plaats van per jaar. Dat laatste getal onthult hoeveel van de groene boekhouding echt is.